Beschrijvingen diergroepen


Korte beschrijving van alle diergroepen van het dierenrijk


AmfibieŽn Bijen Bloedzuigers Garnalen Haften Hommels Hoefijzerwormen Hooiwagens Kevers Kokerjuffers Krabben Kreeften Krekels Libellen Manteldieren Mieren Mosdiertjes Pissebedden Platwormen Reptielen Spinnen Sponzen Sprinkhanen Steenvliegen Stekelhuidigen Tweevleugeligen Vissen Vlinders Vogels Wantsen Weekdieren Zoogdieren


Zoogdieren
Duits: Sšugetiere Engels: mammals Frans: mammifŤres
Systematiek De hoogst ontwikkelde klasse van de gewervelden is de klasse van de zoogdieren (Mammalia). Bekende groepen (orden) zijn: Insecteneters, Vleermuizen, Knaagdieren, Roofdieren, Walvissen, Olifanten, Even- en onevenhoevigen, Apen en de Mens.
Bouw De meeste soorten zoogdieren zijn geheel bedekt met haren; de huid is rijk aan klieren. De ademhaling geschiedt door de longen en de lichaamstemperatuur is constant (warmbloedig). Zowel zeer grote dieren (walvis, 30 meter) als kleine dieren (muis, 4 cm) behoren tot de klasse. De jongen ontwikkelen zich in de baarmoeder van het vrouwtjesdier. De jongen worden levend geboren (m.u.v. de Vogelbekdieren). Na de geboorte worden de gezoogd met melk uit de melkklieren.
Voedsel Naar het voedsel kunnen we de zoogdieren indelen naar alleseters (omnivoren), vleeseters (carnivoren), planteneters (herbivoren), insecteneters (insectivoren) en vruchteneters (fructivoren).
Aantal soorten Zoogdieren zijn over vrijwel de gehele aarde verbreid. Zowel op het land, in zee als in het zoete water komen zoogdieren voor. Van de 4600 soorten in de wereld komen ca. 200 soorten in Europa voor en 95 soorten in Nederland. Veel belangrijke huisdieren van de mens behoren tot de zoogdieren.

Vogels
Systematiek Vogels (Aves) is een klasse van de Gewervelde Dieren.
Bouw en ontwikkeling Het zijn warmbloedige dieren met een hoge contante lichaamstemperatuur. Kenmerkend is vooral het vliegvermogen (sommige vogelsoorten hebben het vermogen om te vliegen verloren) en de bedekking van de huid met veren. Bij vogels vindt rui plaats, dat wil zeggen: de veren vallen op geregelde tijden uit en worden door nieuwe vervangen. De voorste ledematen zijn omgevormd tot vleugels. De ademhaling geschiedt door de longen. Tanden ontbreken, in plaats daarvan hebben vogels een hoornige snavel. Het gezichtsvermogen is goed ontwikkeld. De voortplanting vindt plaats door eieren met een harde kalkschaal die uitgebroed worden in speciaal daarvoor gebouwde nesten. Over het algemeen wordt er een nest gebouwd en is er broedzorg.
Vogeltrek Een opvallend verschijnsel is de vogeltrek. Sommige soorten trekken over grote afstanden en langs vaste routes naar andere streken door wisseling van winter- en zomerverblijf.
Biotoop Overal, waar land is op aarde, komen vogelsoorten voor. Een aantal zeevogels is echter ook in staat zich langdurig en ver van het land op zee te begeven. Enkele soorten komen slechts aan land om te broeden. Ook zijn veel vogelsoorten, zoals vele eend- en gansachtigen aangewezen op het voorkomen van zoet water.
Voedsel Vogels voeden zich met uiteenlopende voedselbronnen, van zowel dierlijke als plantaardige herkomst.
Aantal soorten In Nederland komen 175 broedvogels voor, inclusief incidentele broedvogels, dwaalgasten en trekvogels bedraagt dit aantal 363 soorten. Over de gehele wereld komen 10.000 soorten voor.

Reptielen
Systematiek Reptielen (Reptilia = kruipende dieren) is een klasse van de Gewervelde dieren met de volgende recente orden: Schildpadden, Krokodillen, Brughagedissen en Squamata (Schubdragende reptielen). De laatste orde wordt onderverdeeld in Hagedissen, Wormhagedissen en Slangen.
Bouw en ontwikkeling Reptielen hebben 2 paar loop- of zwempoten (bij enkele groepen zoals slangen echter afwezig), met longen en een huid die bedekt is met hoornige schubben of schilden. Reptielen hebben geen larvestadium zoals AmfibieŽn. De voortplanting geschiedt in principe door op het land gelegde eieren, waar uit volledig ontwikkelende jongen komen. Er zijn echter ook enkele eilevendbarende soorten. Reptielen zijn koudbloedig, de lichaamstemperatuur past zich aan de omgeving aan. In de gematigde streken houden reptielen een winterslaap.
Biotoop Zowel het land, de zee als het zoete water worden door reptielen bewoond, de meeste soorten zijn echter landbewoners. Een groot aantal soorten leeft in warme streken; door de hoornlaag kunnen zij zelfs in zeer droge streken overleven.
Aantal soorten Meer dan 6000 soorten komen op de aarde voor. In Nederland komen slechts 4 soorten Hagedissen en 3 soorten Slangen voor. De in Nederland voorkomende Schildpadden zijn niet inheems. Zeeschildpadden spoelen een enkele maal aan onze kust aan.

AmfibieŽn
Systematiek AmfibieŽn (Amphibia = naar beide zijden levend, wat wil zeggen: zowel in het water als op het land) vormen een klasse van de Gewervelden, welke recent drie orden omvat: Salamanders, Kikkers en Wormsalamanders.
Bouw en ontwikkeling AmfibieŽn hebben een naakte, vochtige huid. De huid is meestal dun en bevat veel klieren. Slijm beschermt de huid tegen uitdroging. Het zijn koudbloedige dieren, wat betekent dat de lichaamstemperatuur afhankelijk is van de omgeving. De eieren worden op een enkele uitzondering na (bijvoorbeeld Vroedmeesterpad) in het water gelegd (kikkerdril). Na het uitkomen van het ei maken zij een visachtig larvestadium door in het water. De larven bezitten kieuwen voor de ademhaling. Daarna volgt een gedaanteverwisseling (metamorfose) tot volwassen dier. De volwassen dieren ademen door longen en/of huid.
Biotoop De volwassen dieren leven zowel in het water als op het land. In het laatste geval meestal op vochtige plaatsen. De meeste soorten zijn actief in de schemering en 's nachts.
Voedsel De larven eten voornamelijk algen en planten; de volwassen dieren zijn vleeseters: insecten, wormen en slakken.
Aantal soorten Als koudbloedige dieren zijn de amfibieŽn met de grootste soortenrijkdom in de tropen vertegenwoordigd. In de gematigde streken komen veel minder soorten voor. Er leven op de wereld 4500 soorten AmfibieŽn, waarvan slechts 5 soorten Salamanders en 11 soorten Kikkers in Nederland voorkomen.

Vissen
Systematiek De Vissen omvat drie klassen van de Gewervelde dieren: Prikken (Agnatha), Kraakbeenvissen (Chondrichthyes) en Beenvissen (Actinopterygii). In nieuwe indelingen worden de Longvissen en Coelacanthen los staand van de Beenvissen beschouwd. In dit korte overzicht worden de vissen als ťťn geheel beschouwd.
Bouw en ontwikkeling Vissen hebben een gestroomlijnd, spoelvormig lichaam. Zij zijn koudbloedig en bezitten een huid met schubben. Vissen hebben verschillende vinnen: ongepaarde rug-, staart- en aarsvin en twee gepaarde vinnen.Deze laatste zijn de borstvinnen en buikvinnen, die vergelijkbaar zijn met de ledematen van de overige Gewervelden. De ademhaling geschiedt met behulp van kieuwen. Vissen leggen eieren zonder schaal, zijn eilevend-barend of levendbarend. Er zijn echter talloze uitzonderingen op het beeld dat hier geschetst is. Er zijn vissen met minder (Paling) of meer vinnen. Bij sommige soorten ontbreken de schubben geheel of gedeeltelijk. Longvissen bezitten naast kieuwen ook longen voor de ademhaling. Vele bodembewonende vissen zijn afgeplat (o.a. Schol). Onder de vissen bevinden zich zowel grote soorten (Walvishaai, 18 meter) als kleine soorten (Pandaka pygmaea, 8-12 mm).
Biotoop Vissen zijn behoudens een enkele uitzondering (o.a. Slijkspringer) permanent in het water levende dieren. De grootste groep soorten leeft in het zoute water en dan voornamelijk aan de kust. Het aantal zoetwatervissen is echter ook zeer talrijk. Er wordt onderscheid gemaakt naar standvissen en trekvissen, welke laatste trekken tussen paai- en voedselplaatsen.
Voedsel Bijna alle soorten leven van dierlijk voedsel. Planteneters vindt men vooral onder de Zoetwatervissen. Een beperkt aantal vissensoorten is parasitair (Prikken).
Gebruik Vissen zijn van grote economische betekenis. Belangrijke commerciŽle vissoorten in Nederland zijn: Haring, Makreel, Kabeljauw, Schelvis, Wijting, Tong en Schol.
Aantal soorten Vissen vormen de grootste groep van de Gewervelden, over de gehele wereld komen ca. 24000 Beenvissen, 815 soorten Kraakbeenvissen en 31 soorten Prikken (Rondbekken) voor. In Nederland komen 160 soorten Beenvissen, 23 soorten Kraakbeenvissen (Haaien en Roggen) en 3 soorten Prikken voor.
Publicaties * H. Nijssen & S.J. de Groot (1987) De vissen van Nederland. Natuurhistorische Bibliotheek KNNV.

Manteldieren
Systematiek Het phylum Chordata bestaat uit drie groepen: de Urochordata (Manteldieren), de Cephalochordata (Lancetvisjes) en de Gewervelden.
Bouw Manteldieren (Urochordata of Tunicata) zijn zakvormige dieren omgeven door een laag cellulose, met een in- en uitstroomopening. Er zijn solitaire en kolonievormende manteldieren. Ze hebben gespecialiseerde organen zoals maag, darm en hart. De larvestadia zijn net als de lancetvisjes in het bezit van een primitieve ruggengraat, en worden daarom de manteldieren wel gezien als de schakel tussen de gewervelden en de ongewervelden. Lancetvisjes zijn enkele centimeters grote visachtige dieren met een voorloper van de ruggengraat.
Biotoop Alle manteldieren zijn bewoners van de zee en zijn meestal blijvend vastgehecht aan een vaste ondergrond. Lancetvisjes leven ingegraven in het zand.
Voedsel Manteldieren zijn filtervoeders. Met de mondopening zuigt hij water naar binnen, dat vervolgens in de kieuwkorf van voedseldeeltjes wordt ontdaan. De voedseldeeltjes komen in het darmkanaal terecht, het water gaat via het atrium (hart) terug naar buiten. Ook de lancetvisjes filteren voedseldeeltjes uit het water.
Aantal soorten Er zijn in de wereld totaal 3000 soorten Manteldieren en 23 soorten Lancetvisjes, waarvan in Nederland 13 soorten zakpijpen (Ascideacea), 3 soorten mantelvisjes (Appendicularia) en 1 Lancetvisje zijn vastgesteld.
Publicaties * D.A.G. Buizer (1983) De Nederlandse zakpijpen (manteldieren) en mantelvisjes Ė Tunicata, Ascidiacea en Appendicularia, Wetenschappelijke Mededeling 158 KNNV.

Stekelhuidigen
Systematiek Stekelhuidigen, een fylum van de ongewervelde dieren bevat 5 klassen: zeelelies, zeesterren, slangsterren, zee-egels en zeekomkommers.
Bouw Zij worden gekenmerkt door een vijfstralige bouw. De huid is leerachtig en versterkt met kalkplaatjes en kalkstekels (naamgeving!). Voor de voortbeweging en ademhaling dient een watervaatstelsel, een systeem van buizen, voorzien van een groot aantal uitstulpingen, de voetjes.
Biotoop Alle Nederlandse soorten leven in of op de zeebodem.
Voedsel De stekelhuidigen leven van plantaardig voedsel, detritus, levende dieren en aas. De Gewone zeester die vooral van schelpen leeft, kan schadelijk zijn voor de oester- en mosselkwekerijen.
Aantal soorten Het aantal inheemse soorten voor de vijf klassen is als volgt: zeelelies 1, zeesterren 8; zee-egels 7, slangsterren 12 en zeekomkommers 2. Hiervan komen slechts een achttal soorten regelmatig aan de Nederlandse kust voor.
Publicatie * W.J. Wolff (1975) Stekelhuidigen Ė Echinodermata. Wetenschappelijke Mededeling KNNV 105.

Hoefijzerwormen
Systematiek De hoefijzerwormen vormen een afzonderlijk phylum in het dierenrijk met slechts een tiental soorten.
Bouw De hoefijzerwormen hebben een wormvormig lichaam met een dubbele hoefijzervormige tentakelkrans, omgeven door een chitineuze buis. De mondopening ligt binnen de tentakelkrans, de anus erbuiten.
Biotoop Alle soorten komen alleen in zee voor, waar ze grote dichtheden kunnen bereiken, tot 20.000 individuen per m2. Ze leven op of ingegraven in de zeebodem.
Voedsel Hoefijzerwormen zijn filterfeeders, die met behulp van hun tentakelkrans het voedsel vergaren.
aantal In Nederland is slechts 1 soort vastgesteld: Phoronis hippocrepia. Op wereldschaal zijn 10 soorten bekend.
Publicaties * J.P.H.M. Adema (1993) Onbekend maakt onbemind 1. Phoronida. Zeepaard 53: 141-146.
* M. Faasse (1994) Hoefijzerwormen in Nederland. Natura 91:137-138.

Haften
Systematiek Haften of eendagsvliegen behoren tot de orde Ephemeroptera van de insecten.
Bouw Haften zijn tere, gevleugelde, meestal tamelijk kleine insecten. Het achterlijf is lang en slank met twee of drie lange staartdraden. De voorvleugels zijn groot, de achtervleugels aanzienlijk kleiner of zelfs geheel ontbrekend. De vleugels worden in rust verticaal boven het lichaam gehouden. De volwassen dieren hebben gereduceerde monddelen. De larven hebben drie staartdraden, tracheale kieuwen en krachtige bijtende monddelen.
Ontwikkeling Er zijn 4 stadia te onderscheiden: ei, larve, subimago en imago. De larven leven een tot enkele jaren. Uit de larve komt een gevleugeld subimago. Nadat ze dit gevleugelde stadium hebben bereikt, vervellen ze nog eenmaal tot imago. Dit imago (volwassen dier) leeft maar zeer kort van enkele uren tot enkele dagen. Vandaar de naam Eendagsvliegen en de wetenschappelijke naam Ephemeroptera (ephemeros = kortlevend).
Gedrag Sommige haftensoorten hebben de gewoonte op vaste tijden in ontelbare massa's uit te komen. In dichte zwermen dansen zij dan op en neer boven en rond het water. Haften zijn voornamelijk actief in de schemering en bij avond.
Voedsel Tijdens het korte adulte leven eten haften niet. De larven leven van plantenafval en algen, maar er zijn ook carnivore soorten
Biotoop De volwassen dieren zijn gewoonlijk aan te treffen in de nabijheid van water. De larven leven in helder, stromend of stilstaand water.
Aantal soorten In Nederland komen 60 soorten haften voor, of liever gezegd kwamen voor, want sinds 1900 zijn zeker 13 soorten uit ons land verdwenen. Haften zijn met 2100 soorten over de hele wereld verspreid met uitzondering van Antarctica.
Publicaties * A.W.M. Mol (1984) Limnofauna Neerlandica * A.W.M. Mol (1985) Een overzicht van de Nederlandse haften (Ephemeroptera).Ent. Ber. 45, 105-11, 128-135. * Piet F.M. Verdonschot, Ben W.G. Higler en Tjeerd-Harm van den Hoek (2001) Naar een doelsoortenlijst van aquatische macrofauna in Nederland: Platwormen (Tricladida), Steenvliegen (Plecoptera), Haften (Ephemeroptera) en Kokerjuffers (Trichoptera) van. Alterra, Wageningen (Concept).

Libellen
Systematiek De libellen (Odonata) zijn een orde van de insecten, die in twee groepen verdeeld is: de Waterjuffers (onderorde Zygoptera) en de Echte libellen (onderorde Anisoptera).
Bouw Het zijn tamelijk grote insecten met een lang en slank achterlijf, met twee paar vliezige netvormig geaderde vleugels. De ogen zijn zeer groot, waardoor libellen een uitstekend gezichtsvermogen hebben. Vooral de Echte libellen zijn zeer snelle, wendbare vliegers.
Voedsel Libellen jagen op andere insecten, vooral vliegen en kleine vlinders die ze in de lucht vangen. De larven zijn even roofzuchtig als de volwassen dieren. Zij leven van waterdieren, zoals kikkervisjes, watervlooien en kleine vissen.
Biotoop De larven van de libellen leven in het zoete water. Libellen bevinden zich veel in de nabijheid van het water, maar veel soorten zijn ook ver buiten het water te vinden. Op deze plaatsen komen jonge beesten tot volwassenheid en wordt gejaagd op andere insecten.
Aantal soorten In Nederland komen (en kwamen) 25 soorten Waterjuffers en 44 soorten Echte libellen voor. Veel soorten zijn in aantal achteruitgegaan, vooral de soorten die gebonden zijn aan schone, matig voedselarme wateren en stromend water.
Publicaties * Wasscher, M., R. Ketelaar, M. van der Weide, A. Stroo, V. Kalkman, N. Dingemanse, H. Ingberg & I. Tieleman (1995) Verspreidingsgegevens van de Nederlandse libellen. NJN, JNM, NLO en EIS, Leiden. * Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. Nederlandse Fauna 4. De Nederlandse Libellen (Odonata). NNM Naturalis, KNNV uitgeverij, EIS Nederland

Muggen en vliegen
Systematiek Vliegen en muggen (Diptera) vormen ťťn van de grootste orde binnen het insectenrijk. Er zijn drie onderordes: De muggen behoren tot de Nematocera, de vliegen tot de Brachycera-Orthorrapha en de Brachycera-Cyclorrapha.
Bouw Vliegen en muggen zijn zeer kleine tot middelmatige grote insecten. De spanwijdte van de grootste soorten bedraagt 8 cm. Er zijn twee paar vliezige vleugels, omdat het achterste paar gereduceerd is tot knotsvormige kolfjes. De naam Diptera is afgeleid van di=twee en pteron=vleugel. Bij sommige, meestal parasitaire soorten is ook het voorste paar vleugels afwezig. De muggen hebben draadvormige veelledige antennen. De vliegen hebben korte antennen met weinig leden. De monddelen zijn zuigend, likkend of stekend.
Ontwikkeling Vliegen en muggen hebben doorgaans vier stadia: volwassen (imago), ei, larve en pop. Sommige soorten zijn echter levendbarend. De larven zijn pootloos. Bij de Orthorrapha splijt de huid bij elke larvale vervelling open met een rechte of T-vormige spleet. Bij de Cyclorrapha verpoppen de larven in een tonvormig puparium en verlaten deze door een min of meer circelvormige opening.
Voedsel Alle tweevleugeligen voeden zich uitsluitend met vloeibaar voedsel. Zij leven van rottend materiaal, nectar, bloed of plantensappen.
Biotoop Vliegen en muggen zijn voornamelijk aan terrestrische en zoetwaterbiotopen gebonden. Veel larven van de tweevleugeligen leven in het water. Ook zijn er enkele soorten aan zeekusten gebonden, zoals de zeewiervliegen.
Nut Vliegen en muggen spelen een zeer belangrijke rol als opruimers in de natuur en als bestuivers van bloemen. Als parasieten van vogels en zoogdieren (o.a. horzels en schapenluis), als eters van wortels (o.a. wortelvlieg) en veroorzakers van gallen (galmuggen) kunnen sommige soorten schade toebrengen aan landbouw en veeteelt. Ook zijn sommige soorten indirect schadelijk voor de mens, omdat ze ziekten, zoals malaria, gele koorts en slaapziekte kunnen overbrengen.
Aantal Het aantal soorten vliegen en muggen in de wereld bedraagt naar schatting 125.00. In Nederland zijn 1643 muggen- en 3322 vliegensoorten bekend.
Bronnen * Paul. L. Th. Beuk (ed.) (2002) Checklist of the Diptera of the Netherlands. KNNV uitgeverij, Utrecht.
* Pjotr Oosterbroek, 1981. De Europese Diptera. Determinatietabel, biologie en literatuuroverzicht van de families van de muggen en vliegen. KNNV WM 148.

Sprinkhanen en krekels
Systematiek Sprinkhanen en krekels behoren tot de orde Orthoptera (betekent rechte of stijve vleugels). Vroeger behoorden ook andere groepen, zoals kakkerlakken en wandelende takken tot deze orde. Binnen Nederland kunnen vijf groepen onderscheiden worden: Krekels, Grot-, Sabel-, Doorn- en Veldsprinkhanen.
Bouw Het zijn middelmatig grote tot grote insecten met een grote stompe kop. Met de achterpoten (springpoten) kunnen ze ver springen. Rechtvleugeligen hebben vier vleugels, waarvan de voorste leerachtig en de achterste vliezig zijn. De achtervleugels zijn in rust waaiervormig opgevouwen. Het vliegvermogen van de meeste soorten is echter niet sterk ontwikkeld. Sommige soorten zijn kortvleugelig of ongevleugeld. Zij worden gekenmerkt door krachtige bijtende monddelen. Sprinkhanen en krekels kennen een onvolkomen metamorfose, dat wil zeggen er is een geleidelijke ontwikkeling van larve tot volwassen dier. Een karakteristieke eigenschap van de groep, waardoor ook de soorten onderscheiden kunnen worden, is het geluid dat ze maken. Door het langs elkaar bewegen van vleugels of poten en vleugels (stridulatie genoemd) brengen ze geluid voort.
Voedsel De krekels zijn planten- of alleseters; de sabelsprinkhanen alleseters of vleeseters en de veldsprinkhanen uitgesproken planteneters, vooral van grassen.
Biotoop Alle soorten sprinkhanen en krekels leven terrestrisch. In Nederland overwinteren ze als ei, volwassen dier of als nymfe (larve).
Aantal soorten In Nederland leven 45 inheemse en ingeburgerde soorten. Het is een soortenrijke orde met een wereldwijde omvang van 20000 soorten.
Publicaties * De sprinkhanen en krekels (Orthoptera) van Nederland. Nederlandse Fauna 1, Leiden.

Steenvliegen
Systematiek Steenviegen of oevervliegen zijn insecten van de orde Plecoptera.
Bouw en ontwikkeling Steenvliegen zijn middelgrote insecten met een slank en platgebouwd lichaam. Ze bezitten vliezige vleugels die in rust over het achterlijf gelegd of om het achterlijf gevouwen worden. Achtervleugels meestal veel breder dan de voorvleugels. Mannetjes zijn veel kleiner dan de vrouwtjes en hebben vaak korte vleugels. De antennen zijn lang en slank. De monddelen zijn bijtend maar zwak ontwikkeld. Het achterlijf is vaak voorzien van twee staartdraden.

Het larvale stadium duurt 1 tot 4 jaar. Volwassen steenvliegen leven twee tot drie weken.
Biotoop De larven leven aquatisch en komen vooral voor in helder, koud, stromend water. De volwassen insecten zijn meestal in de buurt daarvan te vinden.
Voedsel De larven eten van algen, mossen, detritus en andere kleine insecten. Sommige soorten eten nog wat algen of stuifmeel in het adulte stadium, maar de meeste voeden zich dan niet. Steenvliegen zijn een belangrijk voedsel voor vissen, zoals forellen.
Aantal soorten Er zijn in totaal 2000 soorten, waarvan in Nederland 28 soorten zijn vastgesteld. Een groot aantal soorten is echter uit Nederland verdwenen. Vůůr 1960 reeds 19 soorten!!
Publicaties * A.W.M. Mol (1984)Limnofauna Neerlandica. * Piet F.M. Verdonschot, Ben W.G. Higler en Tjeerd-Harm van den Hoek (2001) Naar een doelsoortenlijst van aquatische macrofauna in Nederland: Platwormen (Tricladida), Steenvliegen (Plecoptera), Haften (Ephemeroptera) en Kokerjuffers (Trichoptera) van. Alterra, Wageningen (Concept).

Wantsen
Systematiek De onderorde der Wantsen (Heteroptera) behoort, samen met de cicaden en bladluizen (Homoptera), tot de orde van de snavelinsecten (Hemiptera).
Bouw De voorvleugels van de wantsen hebben een taai, leerachtig deel aan het begin en een vliezige top (heteros= verschillend + ptera=vleugel). De achtervleugels zijn altijd volledig vliezig. Wantsen met vleugels houden deze meestal plat op het lichaam met de uiteinden over elkaar gevouwen. Aan de basis van de vleugels is een driehoekige plaat. Niet alle soorten wantsen zijn gevleugeld, en veel soorten kennen zowel gedeeltelijk als volledig gevleugelde exemplaren. Wantsen zijn voorzien van een steeksnuit om sappen van planten en dieren op te zuigen. Het zijn insecten met een onvolledige gedaanteverwisseling: de metamorfose gaat geleidelijk en er is geen popstadium.
Biotoop Wantsen komen op het land, in het zoete water en op het water voor.
Voedsel Wantsen leven van het uitzuigen van planten, zaden, insecten, of andere dieren.
Aantal soorten In Nederland zijn 600 soorten wantsen vastgesteld, waarvan 62 soorten in en op het zoete water. Het totaal aantal soorten wantsen in de wereld wordt op 62.000 geschat.
Publicaties * B. Aukema (1989) Annotated checklist of Hemiptera-Heteroptera of the Netherlands. Tijdschrift voor Entomologie, 123: 1-104. * B. Aukema et al. (2002) Verspreidingsatlas Nederlandse wantsen (Hemiptera: Heteroptera) Deel. I: Dipsocoromorpha, Nepomorpha, Gerromorpha en Leptopodomorpha. European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. * N. Nieser (1982) De Nederlandse water- en oppervlaktewantsen (Heteroptera: Nepomorpha en Gerromorpha). Wetenschappelijke Mededeling KNNV 155: 1-103.

Kevers
Systematiek Kevers of torren (Coleoptera) zijn een orde van de klasse Insecten. Bekende families zijn Loopkevers, Snuitkevers, Boktorren, Lieveheersbeestjes, Glimwormen en Mestkevers.
Bouw Kevers hebben een sterk chitine-pantser (met enkele uitzonderingen: weekschildkevers); gewoonlijk bezitten ze twee paar vleugels, waarvan het voorste paar hoorn- of leerachtig is (dekschilden) en de achtervleugels vliezig zijn. In rust liggen de achtervleugels opgevouwen onder de dekschilden. Soms ontbreken de vleugels geheel of gedeeltelijk. De meeste soorten kunnen vliegen, maar doen dat over korte afstanden en niet vaak. Kevers bezitten krachtige poten. De meeste soorten hebben looppoten, maar sommige hebben zwem-, graaf- of springpoten. De twee samengestelde ogen zijn meestal goed ontwikkeld. De monddelen zijn bijna altijd bijtend en krachtig. Het zijn zeer kleine tot grote insecten: van Nephanes (0,4 mm) tot Titanus (15 cm).
Voedsel Kevers hebben een grote verscheidenheid aan voedselbronnen aangeboord. Zowel planteneters, houteters, zaadeters, afvaleters, predatoren als parasieten komen voor.
Biotoop Kevers leven in zeer uiteenlopende biotopen van het land en het zoete water.
Aantal soorten De kevers vormen met 350.000 soorten de grootste orde van de insecten. In Europa komen ca. 20.000 soorten voor, waarvan in Nederland ca. 4000 soorten.
Relatie tot de mens Sommige soorten kunnen voor de mens schadelijk zijn; bekende voorbeelden zijn: Colorado-kever, Houtworm en Aardvlo. Voor de mens nuttige soorten vinden we vooral onder de roofkevers; bijvoorbeeld de Poppenrover is een loopkeversoort die leeft van rupsen en poppen van schadelijke vlinders.

Kokerjuffers
Systematiek Kokerjuffers of schietmotten (Trichoptera) vormen een orde van de insecten.
Bouw Het zijn kleine op motten gelijkende insecten met twee paar, meestal bruinachtig gekleurde, behaarde vleugels (Trichoptera betekent behaarde vleugels). In tegenstelling tot vlinders bezitten de volwassen dieren geen roltong maar zuigende of likkende monddelen.
Ontwikkeling De larven, met uitzondering van het genus Enoicyla (daarvan leeft de larve op het land), leven in het zoete water op de bodem en tussen waterplanten en maken een kokertje (Kokerjuffers!) van plantendelen, schelpjes, zandkorrels, steentjes etc. Overigens zijn er ook soorten die geen kokertje maken. Het kokertje is aan beide zijden open, is verplaatsbaar en wordt bijeengehouden door spinseldraden die afgescheiden worden door klieren in de mond. Het huisje dient ter bescherming van het weke achterlijf en vormt een goede camouflage. De volwassen dieren zijn min of meer aan de nabijheid van het zoete water gebonden.
Voedsel
De larven leven van allerlei plantaardig en/of dierlijk materiaal. De volwassen dieren voeden zich echter zelden en likken alleen vloeistoffen zoals water en nectar op.
Gedrag De meeste schietmotten zijn schemer- en nachtdieren die alleen bij onraad opvliegen. Vanwege de snelheid waarmee ze plotseling wegschieten worden ze schietmotten genoemd.
Aantal soorten In Nederland zijn in deze eeuw 173 soorten waargenomen, 27 soorten zijn echter na 1950 nooit meer gezien. Hoewel niet uitgesloten moet worden dat een deel van deze soorten ooit teruggevonden wordt, is er zeker sprake van een sterke achteruitgang in aantallen. In het bijzonder de soorten van de grote rivieren en de heuvellandbeken in Zuid-Limburg. Het aantal soorten in de wereld bedraagt 6000.
Publicaties * L.W.G. Higler (1995) Lijst van kokerjuffers (Trichoptera) in Nederland met opmerkingen over uitgestorven en bedreigde soorten van. Ent.Ber.Amst. * Piet F.M. Verdonschot, Ben W.G. Higler en Tjeerd-Harm van den Hoek (2001) Naar een doelsoortenlijst van aquatische macrofauna in Nederland: Platwormen (Tricladida), Steenvliegen (Plecoptera), Haften (Ephemeroptera) en Kokerjuffers (Trichoptera) van. Alterra, Wageningen (Concept).

Vlinders
Systematiek
Vlinders (Lepidoptera = Schubvleugeligen) vormen een orde van de klasse Insecten. Volgens de klassieke indeling worden vlinders ingedeeld in Macrolepidoptera (= grote vlinders) en Microlepidoptera (= kleine vlinders). Op hun beurt worden Macrolepidoptera ingedeeld in Dagvlinders (Rhopalocera) en Nachtvlinders (Heterocera). Deze indeling is kunstmatig en de naamgeving moet niet te absoluut opgevat worden, want er zijn verscheidene nachtvlinders die overdag vliegen en "macro's" die kleiner zijn dan micro's. Bekende groepen dagvlinders zijn: koolwitjes, zandoogjes, dikkopjes en schoenlappers; nachtvlinders zijn: pijlstaarten, spanners, uilen en beervlinders; micro's: kleermotten, mineermotten en bladrollers.
Bouw Vlinders zijn insecten met twee paar beschubde, veelal fraai gekleurde vleugels. De monddelen hebben de vorm van een zuigbuis: de roltong. De larven (rupsen) hebben bijtende monddelen. Alle rupsen hebben spinklieren, waarmee sommige soorten een cocon spinnen, voordat ze gaan verpoppen. De vlinders maken in hun ontwikkeling verschillende ontwikkelingsstadia door: ei - rups - pop - volwassen vlinder. Omdat er een popstadium aanwezig is, spreekt men van een volledige gedaantewisseling.
Voedsel Met de roltong wordt nectar of ander vloeibaar voedsel opgenomen. Alleen bij de primitieve familie Micropterigidae (Stuifmeelvlinders) eten de volwassen vlinders stuifmeel. Niet alle soorten nemen als volwassen vlinder voedsel tot zich. Deze vlinders leven van vetreserves uit hun rupsenstadium.
Biotoop Vlindersoorten leven alle op het land. Er zijn wel enkele vlindersoorten waarvan de rupsen in het zoete water leven, zoals het Waterleliemotje.
Aantal soorten Vlinders behoren met 160.000 beschreven soorten samen met kevers, tweevleugeligen en vliesvleugeligen tot ťťn van de vier grote insectenordes. In Nederland komen ca. 2.000 vindersoorten voor, waarvan 111 soorten dagvlinders en 1370 soorten micro's.

Mieren
Systematiek Mieren (familie Formicidae) behoren tot de vliesvleugeligen (Hymenoptera).
Bouw Het lichaam bestaat, zoals bij alle insecten uit drie delen: kop, borststuk en achterlijf (abdomen). De mieren onderscheiden zich van de andere insecten door een achterlijfssteel (tussen abdomen en borststuk) en geknikte antennen. Er komen zowel angeldragende als gifspuitende mierensoorten voor.
Gedrag Alle mieren leven sociaal in kolonies. Hun nesten bevinden zich onder de grond, onder stenen en in levend of dood hout. Een aantal diersoorten leeft als gast in mierennesten. Dergelijke mierengasten kunnen gewenst of ongewenst zijn of geduld worden.
Ontwikkeling Naast mannetjes en vrouwtjes (koninginnen) hebben de mieren een steriele kaste van werksters. Bij enkele parasitaire soorten ontbreekt deze werksterkaste. Maagdelijke koninginnen en mannetjes zijn gevleugeld. Na de bruidsvlucht, waarin de paring plaatsvindt, verliezen de koninginnen hun vleugels, waarna ze een nieuwe kolonie stichten of worden opgenomen in een bestaand nest. De mannetjes echter sterven spoedig na de paring. De werksters zijn ongevleugeld.
Voedsel Onder mieren komen zowel soorten met een dierlijk als met een plantaardig menu voor.
Aantal soorten In Nederland zijn 51 inheemse soorten vastgesteld. Wereldwijd zijn zo'n 8800 soorten beschreven, maar het werkelijke aantal wordt op ruim 20000 geschat. Naast de inheemse soorten komen in Nederland ook een aantal geÔmporteerde soorten voor, die zich kunnen handhaven in verwarmde gebouwen en kassen; een voorbeeld hiervan is de Pharaomier.
Publicaties * Boven, J.K.A. van (1986) De Mierenfauna van de Benelux (Hymenoptera: Formicidae). Wetenschappelijke Mededeling KNNV Hoogwoud. * A.A. Mabelis (2002) Bruikbaarheid van mieren voor de monitoring van natuurgebieden

Bijen en hommels
Systematiek Bijen behoren tot de orde van de vliesvleugeligen (Hymenoptera). Deze orde wordt verdeeld in twee onderorden de Symphyta (blad-, halm- en houtwespen) en de Apocrita (bijen, mieren, wespen en sluipwespen). De bijen behoren tot de laatste onderorde en worden samen met de hommels tot ťťn familie gerekend, de Apidae. De familie is genoemd naar de bekendste vertegenwoordiger van de bijen, de honingbij (Apis mellifera). Deze soort behoort tot de sociale bijen, maar er zijn ook solitaire bijen en koekoeksbijen (nestparasieten.
Bouw Een opvallende eigenschap van de meeste soorten is hun dichte beharing met geveerde haren.
Biotoop Vrijwel alle bijen zijn warmte- en droogteminnende dieren. Verder is het voor bijen van belang dat geschikte foerageer- en nestplaatsen aanwezig zijn.
Voedsel Bijen zijn bloembezoekers bij uitstek, die een belangrijke rol spelen bij de bestuiving van de wilde planten en cultuurgewassen. Zij bezoeken de bloemen om nectar en stuifmeel te verzamelen. In de glastuinbouw spelen ook gekweekte soorten, zoals de aardhommel, een grote rol bij de bestuiving.
Aantal soorten De familie van de bijen omvat wereldwijd ongeveer 20.000 soorten, waarvan in Nederland meer dan 300 soorten voorkomen. De afgelopen honderd jaar is deze groep dieren sterk achteruitgegaan en zijn verscheidene soorten uit Nederland verdwenen.
Publicaties Theo M.J. Peeters, Ivo. P. Raemakers en Jan Smit (1999) Voorlopige atlas van de Nederlandse bijen (Apidae).

Krabben, kreeften en garnalen
Systematiek De kreeftachtigen of schaaldieren (klasse Crustacea) is een zeer soortenrijke en vormenrijke groep. De bekendste groep is de Decapoda (Garnalen, Krabben en Kreeften) behorend tot de Hogere Kreeftachtigen (subklasse Malacostraca). Andere groepen van Kreeftachtigen zijn: Watervlooien, Mosselkreeftjes, Roeipootkreeftjes, Zeepokken, Eendenmossels, Aasgarnalen, Pissebedden en Vlokreeftjes.
Bouw Decapoda, (betekent Tienpotigen) bezitten een stevig uitwendig skelet dat dient ter bescherming en voor de aanhechting van de spieren. Het lichaam is opgebouwd uit een aantal segmenten. Het lichaam bestaat uit een kopborststuk dat door ťťn schild (carapax) is bedekt, en het achterlijf, dat uit 6 segmenten bestaat. Omdat het pantser niet meegroeit verloopt de groei via vervellingen, die ook in de volwassen fase plaatsvinden. Er zijn twee typen poten: drie paar borstpoten als mondwerktuigen en vijf paar looppoten. Deze laatste, waarvan de voorste scharen kunnen dragen, vervullen ook allerlei andere functies. Het zijn voornamelijk waterdieren in het bezit van kieuwen. Een aantal soorten is echter aan het landleven aangepast.
Biotoop De meeste soorten leven in zee, in het zoete water zijn ze echter niet zeldzaam. In Nederland komen geen terrestrische soorten voor.
Voedsel Het voedsel bestaat uit levende prooidieren, aas en plantaardig materiaal.
Aantal soorten In de gehele wereld komen 32000 soorten Kreeftachtigen voor, in Nederland zijn 293 soorten vastgesteld. In Nederland leven 25 soorten Garnalen, 8 soorten Heremietkreeften en verwanten(Anomura), 38 soorten Krabben en 7 soorten Kreeften.
Publicaties * Adema, J.P.H.M. (1991) Krabben van Nederland en Belgie (Crustaceae, Decapoda, Brachyura). Nationaal Natuurhistorisch Museum, Leiden. * Adema, J.P.H.M. (1991) Een aanvulling op "De krabben van Nederland en BelgiŽ": De grijze zwemkrab, Liocarcinus vernalis (Risso, 1816) in de Noordzee gevonden. Het Zeepaard, jrg. 51 (5), 110-115. * Holthuis, L.B., G.R. Heerebout (herzien door J.P.H.M. Adema) (1986) De Nederlandse Decapoda (garnalen, kreeften en krabben). Wetenschappelijke Mededeling KNNV Nr 179. * De Nederlandse Decapoda (garnalen, kreeften en krabben) van Holthuis, Heerebout en Adema Wetenschappelijke Mededeling KNNV, Nr 179.


Mosdiertjes
Systematiek en bouw Mosdiertjes of Bryozoa zijn vastzittende kolonievormende kleine dieren, een halve tot enkele millimeters groot, omgeven door een kalk- of hoormachtig skelet.. Zij bezitten een tentakelkrans, bezet met trilharen. Deze krans kunnen ze binnen het huisje terugtrekken. De afzonderlijke individuen in een kolonie heten zoÔden. De kolonies zijn korst-, struik- of bladvormig.
Biotoop De meeste soorten leven in zee, maar enkele soorten komen voor in zoetwater. De meeste mariene soorten bewonen de de ondiepe kustwateren van de zee vastgehecht aan allerlei substraten.
Voedsel Mosdiertjes zijn filter-feeders, dat wil zeggen ze hun voedsel, het plankton uit het water filteren.
Economisch belang Mosdiertjes kunnen de oppervlakte van schepen koloniseren en daarmee de snelheid vertragen. Ook in koelsystemen kan de aangroei van mosdiertjes schadelijk zijn, omdat de waterstroom beperkt wordt.
Aantal soorten Er zijn in totaal 1200 genera beschreven met 4000 ŗ 5000 recente soorten. In Nederland komen 54 soorten mosdiertjes voor, waarvan 8 soorten in zoetwater. Er zijn ook vele fossiele vertegenwoordigers.
Publicaties A.W. Lacourt (1978) De Nederlandse mariene mosdiertjes Ė Bryozoa (Ectoprocta, Gymnolaemata). Wetenschappelijke Mededeling KNNV nr. 129. 21 pp.


Pissebedden
Systematiek Pissebedden vormen een orde (Isopoda) van de subklasse Hogere kreeften (Malacostraca) van de klasse Kreeftachtigen of Schaaldieren (Crustacea).
Bouw Pissebedden hebben een klein, stevig, afgeplat lichaam. De meeste soorten zijn 1 ŗ 2 cm lang, maar er zijn ook grotere soorten zoals de reuzendiepzeepissebed die een lengte van 27 cm kan bereiken. Het lichaam bestaat uit een kop, een borststuk en een achterlijf. Het borststuk bestaat uit 8 segmenten, waarvan een of twee segmenten met de kop vergroeid zijn. De laatste zeven borstsegmenten dragen elk een paar vrijwel gelijke looppoten (Isopoda = gelijke poten). Het achterlijf bestaat uit 6 segmenten. De achterlijfspoten zijn plaatvormig met uitzondering van het laatste paar.
Voedsel Pissebedden leven hoofdzakelijk van dood organisch materiaal. Een aantal soorten uit zee leeft parasitair op vissen of kreeftachtigen. Een klein aantal soorten kan schadelijk zijn. Zo is de boorpissebed schadelijk, omdat hij gaten boort in palen, beschoeiingen en ander houtwerk in zee.
Biotoop Pissebedden komen in uiteenlopende biotopen voor, zowel in zee, in het zoete water als op het land. Landpissebedden leven vooral op vochtige plaatsen.
Aantal soorten Er leven op de wereld 10 000 soorten, waarvan de meeste in zee leven. In Nederland komen inheems 22 mariene soorten, 5 zoetwater-soorten en 30 landsoorten voor.
Publicaties M.P. Berg & H. Wijnhoven (1997) Landpissebedden. Wetenschappelijke Mededeling 221 KNNV.

Spinnen
Systematiek Spinnen (orde Araneae) behoren evenals hooiwagens, bastaardschorpioenen en mijten tot de spinachtigen en daarmee tot de geleedpotigen.
Bouw Het lichaam is in tweeŽn gedeeld: een kopborststuk en een achterlijf, die door een korte dunne steel met elkaar verbonden zijn. Zij hebben gifklieren, die in de kaken uitmonden. Het kopborststuk draagt vier paar poten en meestal 8 enkelvoudige ogen. Op het achterlijf bevinden zich de spintepels.
Voedsel Spinnen leven in hoofdzaak van insecten. Naar de vangmethode kunnen globaal twee groepen worden onderscheiden: jacht- en webspinnen. De jachtspinnen gaan actief op zoek naar hun prooi zonder gebruik te maken van een web. Webspinnen maken een web en wachten af tot de prooi in het web komt. De vorm van het web kan bij de verschillende soorten sterk uiteenlopen. Voorbeelden zijn wielweb, hangmat- of baldakijnweb, trechterweb en buisweb.
Biotoop Alle Nederlandse soorten zijn terrestrisch met uitzondering van de Waterspin die in zoet water voorkomt.
Aantal soorten In totaal komen in de wereld meer dan 33 000 soorten voor. In Nederland zijn 596 soorten vastgesteld.
Publicaties * Helsdingen, P.J. van (1999) Catalogus van de Nederlandse spinnen (Araneae). Nederlandse faunistische mededelingen 10. Leiden, Naturalis en EIS.

Hooiwagens
Systematiek Hooiwagens (Orde Opiliones), ook wel bastaard- of langpootspinnen genoemd, behoren tot de spinachtigen. Omdat ze vooral in de nazomer opvallend aanwezig zijn, hebben ze in Nederland de naam hooiwagens en in het Engels de naam "harvestmen" gekregen.
Bouw Het kopborststuk en achterlijf vormen een geheel. Spinklieren ontbreken; het kopborststuk draagt vier paar poten, twee ogen en twee geurklieren; de kaken eindigen in scharen. De poten van de "typische" hooiwagen zijn lang en dun, maar er komen ook soorten voor met korte, dikke poten. Hooiwagens zijn meestal onopvallend van kleur.
Voedsel Het hoofdvoedsel bestaat uit levende en dode dieren, zoals miljoenpoten, duizendpoten, pissebedden, spinachtigen, insecten en slakjes.
Biotoop Het zijn terrestrische dieren, die in het algemeen aan vochtige omstandigheden gebonden zijn.
Aantal soorten Er is een groot aantal soorten (ca. 4000) verspreid over de gehele wereld bekend. In Nederland zijn 24 soorten vastgesteld. Publicaties Koomen, P. (1995) Nederlandse naamlijst Opiliones (Hooiwagens).

Bloedzuigers
Systematiek en Bouw Bloedzuigers (Hirundinea) zijn borstelloze, afgeplatte wormen uit de klasse van de Ringwormen (Annelida), die zowel aan mond- als aan anuszijde een zuignap hebben.
Biotoop De in Nederland voorkomende soorten zijn alle waterdieren, die in zoet of in zout water voorkomen.
Voedsel Ze parasiteren op zoogdieren, vogels, vissen en kikkers of zijn eters van slakken en ongewervelden. De bloedzuigende soorten hebben speekselklieren die een stof leveren, die de stolling van het bloed vermindert.
Gebruik Een bekende vertegenwoordiger is de Medicinale bloedzuiger, die vroeger ook in Nederland gekweekt werd. Destijds werd deze soort veelvuldig voor medicinale doeleinden gebruikt: het zogenaamde "koppen zetten".
Aantal soorten In Nederland komen 18 soorten voor, verdeeld over 15 genera. Wereldwijd komen ca. 500 soorten voor.
Publicaties * Th.G.N. Dresscher & L.W.G.Higler (1982) De Nederlandse bloedzuigers Ė Hirundinea.

Weekdieren
Systematiek Weekdieren (Mollusca) zijn een zeer soortenrijke groep die is onderverdeeld in onder meer de volgende klassen: Wormslakken, Keverslakken, Slakken, Inktvissen, Tweekleppigen en Olifantstandjes.
Bouw Weekdieren hebben een week, ongeleed lichaam zonder inwendig skelet. In plaats daarvan wordt het lichaam omgeven door een huidplooi, de mantel, die zorgt voor bescherming van het lichaam en de vorming van de schelp. De schelp die zowel uitwendig (o.a. slakken en tweekleppigen) als inwendig (sommige inktvissoorten) kan voorkomen is bij een aantal soortgroepen niet of rudimentair aanwezig (naaktslakken). De vertegenwoordigers van de weekdieren behoren zowel tot de grootste (Reuzeninktvis, lengte inclusief armen tot 18 meter) als de kleinere onder de dieren (Atoomslak: 0,5 mm). Het lichaam is tweezijdig symmetrisch, met uitzondering van de slakken. De ademhaling geschiedt door kieuwen, maar bij de land- en zoetwater soorten door een soort longen. De meeste soorten (tweekleppigen niet) bezitten een rasptong (radula). Met deze rasp wordt het voedsel verzameld.
Voedsel Voedsel kan bestaan uit levende prooien (roofslakken, inktvissen), plankton (filterfeeders, o.a. tweekleppigen), aas, planten, paddestoelen en detritus (dode organische overblijfselen).
Biotoop De meeste soorten leven in zee. Bij slakken en tweekleppigen komen echter ook veel zoetwatersoorten voor, terwijl de slakken ook het land veroverd hebben.
Publicaties * Bruyne, Rykel de en Tello Neckheim (2001) Van nonnetje tot tonnetje. De recente en fossiele weekdieren (slakken en schelpen) van Amsterdam. Schuyt & Co, Haarlem. * Gittenberger, E. en A.W. Janssen (red) (1998) De Nederlandse zoetwatermollusken, recente en fossiele weekdieren uit zoet en brak water. Nederlandse Fauna 2. Naturalis, KNNV Uitgeverij, EIS-Nederland. * Gittenberger, E., W. Backhuys en Th.E.J. Ripken (1984) De landslakken van Nederland. Stichting Uitgeverij KNNV, Hoogwoud. * Kerney, M.P. en R.A.D. Cameron (1980) Elseviers slakkengids. Elsevier, Amsterdam/Brussel.

Platwormen
Systematiek Platwormen (Platyhelminthes) zijn afgeplatte ongesegmenteerde wormen. Er zijn drie groepen te onderscheiden Trilhaarwormen (Turbellaria), Zuigwormen (Trematoda) en Lintwormen (Cestoda)
Bouw Trilhaarwormen (Turbellaria) vormen de primitiefste klasse van de platwormen. Het zijn kleine vrijlevende dieren met afgeplat lichaam. Zuigwormen (Trematoda) zijn uitsluitend parasitair levende platwormen die slechts enkele mm groot worden, bijvoorbeeld de leverbot. Lintwormen (Cestoda) leven ook uitsluitend als parasiet. De platwormen hebben een spijsverteringskanaal met een mondopening maar geen anus. Er zijn verschillende organen waaronder ogen en tastorganen.
Biotoop De Trilhaarwormen komen voornamelijk in zee en het zoete water, maar ook enkele soorten op vochtige plaatsen op het land. De Zuigwormen zijn ecto- en endoparasieten van gewervelden. Lintwormen zijn darmparasieten van gewervelden.
Voedsel Afhankelijk van de soort voeden ze zich met algen, levende en dode dieren. Het begin van het spijsverteringskanaal kan bij Trilhaarwormen als een soort slurf worden uitgestulpt om prooien te grijpen en te verteren.
Aantal soorten Er zijn in Nederland 150 soorten Trilhaarwormen, 100 soorten Zuigwormen en 80 soorten Lintwormen vastgesteld. In de gehele wereld komen respectievelijk 3000, 8000 en 3800 soorten voor.
Publicaties * Piet F.M. Verdonschot, Ben W.G. Higler en Tjeerd-Harm van den Hoek (2001) Naar een doelsoortenlijst van aquatische macrofauna in Nederland: Platwormen (Tricladida), Steenvliegen (Plecoptera), Haften (Ephemeroptera) en Kokerjuffers (Trichoptera) van Alterra, Wageningen (Concept). * C. den Hartog (1962). De Nederlandse Platwormen- Tricladida. Wet. Med. KNNV Nr 42.

Sponzen
Systematiek Sponzen vormen een afzonderlijk phylum, de Porifera. Afhankelijk van de aard van de harde delen worden drie groepen sponzen onderscheiden: kalk-, kiezel- en hoornsponzen (o.a. de badspons).
Bouw Sponzen zijn eenvoudig gebouwde dieren zonder organen. Zij hebben twee lagen cellen, gerangschikt rond ťťn of meer centrale holten. Het zijn kolonievormende met een vastzittende levenswijze
Biotoop De meeste sponzensoorten leven in zee en de overige in het zoete water. Sponzen komen in deze milieus verspreid over de gehele aarde voor.
Voedsel Trilhaarcellen zorgen voor het watertransport, waarmee ook plankton en andere kleine voedseldeeltjes het dier bereiken.
Aantal soorten In Nederland zijn 16 inheemse soorten sponzen vastgesteld, waarvan drie in het zoete water leven. Over de gehele wereld komen ongeveer 10000 soorten voor
Publicaties R.W.M. van Soest (1976) De Nederlandse mariene en zoetwatersponzen Ė Porifera. Wetenschappelijke Mededeling Nr. 115. KNNV.