Betekenis namen van weekdieren


Betekenis van Wetenschappelijke en volksnamen van weekdieren


Wetenschappelijke namen
Potjeslatijn
Uit pure nieuwsgierigheid
Bronnen
Typering namen
Uiterlijke kenmerken
Persoonsnamen
Geografische namen
Habitat
Voorkomen, status, taxonomie
Economisch nut en schade
Gedrag, geur en voedsel
Tautologieën (genusnaam=soortnaam)
Onbekende betekenis
Telwoorden en voorvoegsels
Uitgangen


Wetenschappelijke namen
De Wetenschappelijke naam van de Oester is Ostrea edulis. Deze naam bestaat uit twee gedeelten: het eerste deel ‘Ostrea’ begint altijd met een hoofdletter en is de genus- of geslachtsnaam. Het tweede deel ‘edulis’ is het soortaanhangsel. Dit heet met een geleerde term epitheton specificum. De genusnaam en het soortaanhangsel vormen samen de soortnaam. Deze tweedelige naamgeving (binaire nomenclatuur) is bedacht door Carolus Linnaeus in de 18e eeuw. Deze manier van naamgeven werd in de wetenschappelijke wereld van die tijd al gauw internationaal geaccepteerd. Dit heeft er toe geleid dat gegevens over planten en dieren over de gehele wereld konden worden uitgewisseld. Aan de naamgeving zijn vele regels verbonden, waarop ik hier niet zal ingaan. Meer hierover is te vinden in de publicaties van de International Commission on Zoological Nomenclature (ICZN). Dit artikel gaat in op de betekenis van de soortaanhangsels, die ik verder gewoon soortnamen zal noemen. Aan het eind volgt een lijst van soortnamen en hun betekenis van alle in Nederland en België voorkomende weekdieren.

Uit pure nieuwsgierigheid
Voor het gebruik van Wetenschappelijke namen is het niet noodzakelijk de achterliggende betekenis te kennen. Het is echter een algemeen menselijke eigenschap om de oorsprong en achtergrond van zaken en dus ook van woorden en namen te willen kennen. Als je de betekenis van wetenschappelijke namen kent, gaan ze meer leven en kun je ze makkelijker onthouden. Daarnaast kan je ook iets leren over de eigenschap(pen) van de soort. Pas echter wel op, want sommige wetenschappelijke namen zijn slecht gekozen en daardoor misleidend, al ben ik dit bij de hier behandelde schelpennamen nog niet tegengekomen. Tot slot kan een wetenschappelijke namen behulpzaam zijn bij het geven van een goede Nederlandse naam aan de betreffende soort. Voor Nederlandse weekdieren is dit echter niet meer nodig want alle soorten hebben al een Nederlandse naam.

Bronnen
Van enkele planten- en diergroepen zijn uitgebreide overzichten verschenen van de betekenis van wetenschappelijke namen. Voor zover mij bekend bestaat er geen publicatie over de betekenis van wetenschappelijke namen van weekdieren. Wel heb ik kunnen putten uit enkele schelpenboeken, waarin van genus- en soortnamen de betekenis is gegeven (Entrop, 1965; De Bruyne et al., 1994; Picton & Morrow, 1994; Bailey, 1940; Dorsman & De Wilde, 1929; Nordsieck, 1958; Stix & Abbott, 1978; Sowerby, 1852). Daarnaast is gebruik gemaakt van boeken over de betekenis van wetenschappelijke namen van hogere planten (o.a. Backer, 1936; Stearn, 1991), vogels (o.a. Jobling, 1991) en vlinders (Maitland Emmet, 1991) en van diverse Latijnse en Griekse woordenboeken.

Typering namen Uiterlijke kenmerken
Het overgrote deel van de soortnamen van schelpen is afgeleid van uiterlijke kenmerken. Het is niet verbazingwekkend dat dit bij schelpdragende soorten vooral betrekking heeft op de schelp. Hieronder zal ik een aantal typen uiterlijke kenmerken met voorbeelden de revue laten passeren. Allereerst moeten kleur en kleurvarianten worden genoemd: 'albus' = wit, 'niger' = zwart, 'flavus' = geel, 'ruber' = rood, 'caeruleus' = blauw, 'fuscus' = bruin en 'viridis' = groen. Ook samengestelde kleuren komen voor zoals 'cineroniger' = grijszwart. Als de kleur niet egaal maar in een patroon voorkomt, geeft dit namen als 'tigerinum' = getijgerd of 'bilineata'= met twee strepen. Naast kleur vormen ook allerlei oppervlaktestructuren en aanhangsels een belangrijke bron voor schelpdiernamen, zoals 'costata' = geribbeld of 'cristata' = met een kam. De soortnaam 'crista' = kam kan zowel betekenen ‘voorzien van een kam’ als ‘in de vorm van een kam’. Andere specifieke vormen zijn 'dolioliformis' = in de vorm van een vaatje of simpelweg 'doliolum' =vaatje. Wiskundige vormen zijn onder andere 'elliptica' =elliptisch of 'cylindrica' =cylindrisch. Nauw verwant met de vorm is de aanduiding van de afmetingen van 'minus' = klein tot 'magnus' =groot, met als uitersten 'gigas'= reuzen en 'atomus' = zeer klein.

Persoonsnamen
Veel schelpnamen vinden hun oorsprong in een persoon of diens naam. Naamloze personen zijn bijvoorbeeld magus=magiër, in verband met de gelijkenis van zijn tulband. En monacha =monnik of kluizenaar. De heilige Jacobus van Compostella is de naamgever van Pecten jacobaeus. Pelgrims die de begraafplaats van deze Jacobus in Santiago van Compostella hadden bezocht, droegen de schelp op hun hoed of mantel. Mythologische figuren komen eveneens in soortnamen voor: Charonia tritonis is afgeleid van de tritonshoorn en 'ammonia' van de horens van de Egyptische god Ammon. De meeste soorten zij echter vernoemd naar mannen en vrouwen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de schelpenstudie, zoals onderzoekers en verzamelaars. In veel gevallen is bekend wie er achter de naam schuil gaat, zoals ‘alderi’ naar Joshua Alder, een negentiende-eeuwse onderzoeker van zeenaaktslakken. In sommige gevallen kan ik wel uit de soortnaam afleiden dat het om een persoonsnaam gaat, zoals bij ‘dawsoni’, maar heb ik nog niet kunnen vaststellen welke Dawson achter deze naam schuil gaat. Aan de uitgang is namelijk meestal te zien dat het een persoonsnaam betreft. Bij een man vinden we de uitgangen –i, -ii of –ianum, bijvoorbeeld ‘roberti’ naar Robert Leruth, 'sarsii' naar Michael of G.O. Sars en 'oweniana' naar Owen. Bij een vrouw is de uitgang –iae of –ae, bijvoorbeeld ‘turtonae’ naar de dochter van Turton en ‘mariae’ naar de voornaam Maria. De uitgang –orum duidt op een groep mannen of een gemengde groep, bijvoorbeeld ‘schilderorum’ naar de heer en mevrouw Schilder. De uitgang -arum duidt op een groep vrouwelijke personen. Omdat de herleiding van de soortnaam tot een bepaalde persoon vaak onzeker is, zijn in de lijst alleen de achternamen opgenomen en in tabel 2 de namen en andere gegevens van de personen naar wie de soorten waarschijnlijk vernoemd zijn.

Geografische namen
Geografische namen nemen een derde plaats in onder de soortnamen. Veel namen zijn onmiddellijk herkenbaar, zoals americanus, 'atlantica', 'chinensis' en 'hungaricus'. Andere zijn minder herkenbaar of gelijken in het geheel niet op de huidige namen zoals ‘eblanae’= van Dublin of ‘fervensis’ van Faeröer Eilanden. Veel gebruikte uitgangen bij geografisch namen zijn -ensis, -icus en -anus. Alle vormen van geografische namen kunnen voorkomen: continenten, landen, streken, plaatsen, rivieren, oceanen, eilanden, bergen, windstreken, enz. Verwarrend is dat de geografische aanduiding niet altijd een goede aanduiding is van het gebied waar de soort voorkomt (areaal), maar bijvoorbeeld slaat op de plaats of het land waar de eerste vondst van die soort is gedaan. Een soort met de naam ‘ungaricus’ kan alleen in Hongarije voorkomen of zowel in Hongarije als daar buiten voorkomen maar ook helemaal niet in Hongarije voorkomen. Dat laatste is het geval bij de soort Capulus ungaricus = Hongaarse muts, naar de vorm van de bij de Hongaarse klederdracht behorende muts.

Habitat
Veel namen van het biotoop of het habitat waar de soort leeft zijn herkenbaar aan de uitgang. Ze betekenen: ‘behorend tot’ of ‘groeiplaats van’ of ‘bewoner van’. -ensis: hortensis = van de tuin -alis: fontinalis = van de bron -atilis: saxatilis = van de rots -arius: rivicola = van de oever -icola: rivicola = bewoner van beken -estris, -estre: agrestre = van de akker Zowel natuurlijke habitats (stranden, bergen, bossen, rivieren en moerassen) als door de mens geschapen habitats (kwelders, visvijvers en akkers) spelen een rol bij de naamgeving van schelpen. Het ligt voor de hand dat de laatste categorie meer bij land- en zoetwatermollusken voorkomt dan bij mariene weekdieren.

Voorkomen, status, taxonomie
Een kleine enigszins uiteenlopende groep namen heeft betrekking op het voorkomen, zoals de zeldzaamheid (‘communis’ = gewoon), de status van het inheems zijn (‘barbara’ = buitenlands) als de taxonomische positie, dat wil zeggen de plaats van de soort in de classificatie van schelpen (‘intermedia’ = tussenliggend).

Economisch nut en schade
Enkele soorten schelpdieren hebben veel voor de mens te betekenen, ze zijn nuttig of schadelijk. Ook in enkele namen kunnen we het gebruik of de schadelijkheid aantreffen. Mossels, Kokkels en Oesters zijn en waren belangrijke voedselbronnen. Hun soortnaam ‘edulis’ of ‘edule’, wat eetbaar betekent, duidt daarop. Ook in de geneeskunde zijn schelpensoorten gebruikt. Dit valt af te leiden uit de soortnaam ‘officinalis’=geneeskrachtig of in de apotheek gebruikt en ‘empiricorum’=van artsen, waarvan de werkwijze op ervaring berust. Schelphelften van de Schildermossel werden vroeger gebruikt als verfbakjes. Dit blijkt niet alleen uit de Nederlandse naam maar ook uit de wetenschappelijke soortnaam ‘pictorum’ (= van de schilders’). In sommige landen worden schelpen als geld gebruikt, zoals de Geldkauri die Monetaria moneta heet. Zowel geslachts- als soortnaam duiden op dit gebruik. Een minder bekend voorbeeld is het gebruik van Mercenaria mercenaria (mercenarius = huurling, gehuurd, gekocht; synoniem Venus mercenaria), in het Engels ook wel Money shell genoemd. Onder de naam ‘Wampum’ gebruikten de Noord-amerikaanse Indianen deze schelp als geldstuk. Schelpen kunnen schadelijk zijn als ze gaten boren in hout. Zo boort de paalworm of scheepsboorworm ook gaten in houten schepen en draagt daarom de soortnaam ‘navalis’ = van een schip. Ook de soortnaam 'lupinus' (= wolfsachtig) kan op schadelijkheid duiden. Het is echter niet duidelijk waarom Dosinia lupinus deze naam heeft gekregen..

Gedrag, geur en voedsel
Slakken en tweekleppigen vertonen blijkbaar weinig opvallend gedrag, want het aantal voorbeelden van soortnamen over het gedrag is zeer schaars. Soortnamen als 'latens' (= zich verbergend) en 'arcana' (= verborgen) duiden op een verborgen levenswijze. Een slak die een sterke uiengeur verspreid heeft de naam 'alliarius' (allium= look of ui) gekregen. Hydrobia ulva is een soort die onder andere van zeesla leeft. (ulva=sla, de wetenschappelijke naam van zeesla is eveneens Ulva). De namen Anodonta cygna en Anodonta anatina, respectievelijk Zwanenmossel en "eendenmossel", wijzen mogelijk op het gebruik als voedsel voor zwanen en eenden.

Tautologieën (genusnaam=soortnaam)
Bij wetenschappelijke namen van dieren is het toegestaan om de genusnaam onveranderd te herhalen in de soortnaam, zoals dat bij Spirula spirula of Viviparus viviparus voorkomt. De betekenis van deze soortnamen is niet opgenomen in de lijst als ze exclusief als tautologie voorkomen. Mijn voornemen is een afzonderlijk artikel te wijden aan de betekenis van geslachtsnamen, waarin deze tautologieën opgenomen zullen zijn.

Onbekende betekenis
Van de meeste soortnamen in de lijst heb ik wel de betekenis van het Latijnse of gelatiniseerde woord kunnen achterhalen, maar in een aantal gevallen tast ik nog in het duister waarom bepaalde soorten die naam hebben gekregen. Bijvoorbeeld ‘repentina’ betekent plotseling of onverwacht, maar waarom de soort Cochlicopa repentina (Middelste agaathoorn) deze naam kreeg, is voor mij nog een vraag. Ook namen als Sepia pharaonis (van de farao?) of Puncturella noachina (Noachina is de vrouwelijke vorm van de bijbelse naam Noach) zijn vooralsnog niet te duiden. Bij enkele synoniemen van de wetenschappelijke naam komen soortnamen voor die geen enkel aanknopingspunt bieden: Odostomia alungata, Corambella baratariae, Natica canrena, Deroceras caruanae, Helicella heripensis en Codokia jutensis.

Laatste wijziging pagina: 10 mei 2004