Betekenis namen van weekdieren


Betekenis van wetenschappelijke familie- en genusnamen van weekdieren


Babylonische spraakverwarring
Samenstelling wetenschappelijke namen
Verschillen genus- en soortnamen
Vorming uit andere generanamen
Indeling namen
Onbekende betekenis
Betekenis van de afzonderlijke genusnamen


Babylonische spraakverwarring
De slak Babylonia spirata is genoemd naar Babylon of Babel, de hoofdstad van Babylonië, waarschijnlijk vanwege de gelijkenis met de trapvormige toren bij het heiligdom van Mardoek te Babylon. Volgens het bijbelverhaal in Genesis is de voltooiing van de bouw van de toren van Babel verhinderd door een spraakverwarring waardoor de volken zich over de gehele aarde verspreiden. Om aan deze Babylonische spraakverwarring te ontkomen bedienen wetenschappers zich al eeuwen van het Latijn als voertaal. Ook voor het beschrijven en benoemen van planten- en diersoorten werd en wordt nog steeds gebruik gemaakt van het Latijn. Voor veel mensen zijn deze Latijnse of uit andere talen gelatiniseerde namen echter maar abracadabra. Om deze "geheimtaal" toegankelijker te maken heb ik getracht van zoveel mogelijk soort- en genus- en familienamen van weekdieren (Mollusca) de betekenis te achterhalen. In een eerder artikel in Zeedahlia zijn met name de soortnamen aan bod gekomen. In dit artikel ligt de nadruk op de genusnamen.

Samenstelling wetenschappelijke namen
De Wetenschappelijke soortnaam van de Oester, Ostrea edulis L. 1758, bestaat uit vier delen. Het eerste deel ‘Ostrea’ begint altijd met een hoofdletter en is de genus- of geslachtsnaam. Het tweede deel ‘edulis’ is het soortaanhangsel (Latijn epitheton specificum) en begint met een kleine letter. De laatste twee delen van de soortnaam geven de auteur (L. = Linnaeus) aan die de soort voor het eerst heeft beschreven en het jaartal van publicatie, in dit geval van Xe druk van Linnaeus' Systema Naturae.

Verschillen genus- en soortnamen
De geslachtsnaam is meestal een zelfstandig naamwoord, terwijl de soortnaam vaak een bijvoeglijk naamwoord is. De soortnaam specificeert als het ware de geslachtsnaam. Het grootste deel is van de wetenschappelijke genusnamen is van Griekse oorsprong. Deze Griekse namen zijn echter gelatiniseerd, dat wil zeggen omgezet naar het Latijn (zie kader). Om het oorspronkelijke Griekse woord vast te stellen moet dus een omgekeerde omzetting plaats vinden. Een klein aantal genusnamen is ontleend aan klassieke Griekse en Latijnse schelpdiernamen, zoals bijvoorbeeld Lepas, Murex, Buccinum, Strombus en Loligo. Welke geslachten of soorten deze klassieke naam precies aangeduid is echter meestal niet bekend In veel gevallen zal de oorspronkelijke betekenis veel ruimer zijn dan die van het genus. Loligo betekent bijvoorbeeld inktvis in ruime zin, maar heeft zijn naam gegeven aan een groep van pijlinktvissen. Genusnamen zijn binnen het dierenrijk in tegenstelling tot soortnamen uniek. Dat betekent dat publicaties over naamgeving van andere diergroepen en planten minder aanknopingspunten bevatten voor namen van weekdieren. Soms staat in de publicatie, waarin voor de eerste maal de soort beschreven is, ook iets over de betekenis van de naam. Het is echter veelal oude en moeilijk toegankelijke literatuur, daarom is voor deze publicatie hiervan geen gebruik gemaakt. Meestal is het zo dat de naam van het genus op alle soorten van dat genus betrekking heeft, maar er zijn uitzonderingen. Het kan namelijk zijn dat het kenmerk waarop de genusnaam berust slechts op één of een paar soorten van het genus betrekking heeft. Dus moet je eigenlijk álle soorten van een genus in het onderzoek betrekken om te beoordelen of een naam betekenisvol is.

Vorming uit andere generanamen
Sommige nieuwe genusnamen zijn gevormd uit bestaande genusnamen. Met name als een auteur een genus in twee of meer nieuwe genera splitst, behoudt vaak één van de nieuwe genera de oude naam en ontvangen de overige genera een naam die de verwantschap met het oorspronkelijke genus weergeeft. Er zijn verschillende mogelijkheden die hieronder met enkele voorbeelden beschreven zijn. Zo kan een nieuwe genusnaam ontstaan door samenvoeging van twee bestaande genusnamen (bijvoorbeeld: Modiolarca= Modiolus + Arca) Een nieuwe genusnaam kan een anagram zijn van een bestaande genusnaam. Zo is Milax gevormd uit de bestaande naam Limax. Veel genusnamen zijn een verkleinwoord van een andere genusnaam. Zowel achtervoegsels (bijvoorbeeld -ella, -ula) als voorvoegsels (parvi- of micro-) zijn in gebruik. Zowel de uitgangen -idia --odes, -oides, -opsis als het voorvoegsel simili- geven meestal aan dat het genus op een ander genus lijkt. Overige voorvoegsels die in gebruik zijn bij afleiding van een andere genusnaam zijn: Anti- (tegen), Crypto- (verborgen), Eu- (goed), Fusi- (verbonden), Neo- (nieuw), Noto- (bastaard), Para- (bastaard), Pro- (voor) en Pseudo- (schijn).

Indeling namen
Namen van slakken en schelpen zijn te typeren naar het uiterlijk van het dier of de schelp, gedrag, habitat, verspreiding, nut voor de mens, afleiding van persoonsnamen, afleiding van andere genusnamen of van oorspronkelijke Griekse en Latijnse namen voor weekdieren. Een andere indeling gaat uit de gelijkenis van de schelp of het dier (of onderdelen ervan) met bouwwerken, voorwerpen, kleding, lichaamsdelen, planten, dieren etc. Hieronder zijn enkele voorbeelden gegeven. Bouwwerken: toren (Turris); wenteltrap (Epitonium); dak (Tectus); pagode (Pagodus) en voluut (Volute, voluut is een spiraalvormig uitlopend verbindingsstuk bij Ionische kapitelen) Gebruiksvoorwerpen: boor (Terebra); baktrog (Mactra); hamer (Malleus); kam (Pecten); schotel (Patella); ton (Tonna); verrekijker (Telescopium); priem (Subula); schrijfstift (Graphis); naald (Acicula); klos, spoel (Fusus) en spinrokken (Colus) Kleding: muiltje (Crepidula); mijter (Mitra); tiara (Thiara) en mantel (Chlamys). Kinderspeelgoed: pop (Pupa); tol (Turbo) en hoepel (Trochus). Wapentuig: schild (Scutus); lans (Hastula) en helm (Cassis). Muziekinstrumenten: harp (Harpa); citer, gitaar (Cithara); lier (Lyria) en fluit (Tibia). Schepen: ark (Arca) en kano (Scapha). Planten: jujube (Ziziphynus en Jujubinus), overrijpe olijf (Drupa), olijf (Oliva); vijg (Ficus); meloen (Melo); wonderboon (Ricinula); boon (Phaseolus) en noot (Nuculus). Dieren: duif (Columbella); ekster (Cittarium); fazant (Phasianella); struisvogel (Struthiolaria); worm (Vermetes) en mol (Talparia). Lichaamsdelen: oor (Haliotis); wang (Gena) en mond (Calliostoma); Wiskundige figuren: kegel (Conus); trapezium (Trapezium); sinus (Sinus); circel (Circulus) en ruit (Rhombus).

Onbekende betekenis
Van een aantal genusnamen is de betekenis moeilijk te achterhalen. Een aantal onbekende namen zal bij nader speurwerk zeker nog boven water kunnen komen, maar ongetwijfeld is niet voor elke wetenschappelijke naam een verklaring te geven. Sommige auteurs hebben namelijk de door hun beschreven soorten van een fantasienaam voorzien, welke geen enkele betekenis heeft. Een andere moeilijkheid is dat namen in publicaties verkeerd gespeld zijn of dat de auteur zelf een fout gemaakt heeft bij het benoemen van de soort. Zo bleek bijvoorbeeld dat de soortnaam belticum, waarvoor geen verklaring van de betekenis bestond, een verkeerd gespelde naam voor balticum (Baltisch) te zijn. Bij het verklaren van dergelijke namen, als men ze al als fouten herkent, begeeft men zich echter al gauw op glad ijs, omdat de betekenis niet op een onderbouwde verklaring maar veelal op giswerk berust. Een bijzondere bron van fouten is het feit dat de beschrijver van het genus soms gebruik heeft gemaakt van slecht geconserveerde exemplaren of van niet correcte tekeningen of van onjuiste gegevens over de verspreiding van de soorten van een genus en daardoor een incorrecte naam aan een genus heeft gegeven. Voorbeelden van schelpen zijn mij echter niet bekend.

Betekenis van de afzonderlijke genusnamen
De betekenis van de afzonderlijke genusnamen kan niet zoals bij de soortnamen in een lijst worden opgenomen, omdat er vaak meer toelichting noodzakelijk is. Van een aantal genusnamen is een dergelijke toelichting gereed en op deze website opgenomen Het ligt in de bedoeling het het aantal teksten regelmatig uit te breiden.